Het uitbesteden van bioanalytisch onderzoek is een belangrijk onderdeel van mijn werkpakket en daardoor kom ik met enige regelmaat bij diverse laboratoria over de vloer. Meestal zijn dat ontmoetingen met management, onderzoekleiders en/of business development managers en ook meestal in een fraaie vergaderruimte. De leukste en meest interessante bezoeken zijn de eerste. Je kent elkaar nog nauwelijks; hooguit een a twee mensen van het ontvangstcomité heb je wel eens eerder ontmoet. Sommige labs pakken groots uit, fraai servies, goede koffie, gelikte presentatie, strak geklede BDs en managers, blinkende vergaderzaal etc. Andere zijn meer down to earth: koffie uit een automaat in een plastic bekertje en de labjas net uit.

Graag maak ik bij zo’n eerste bezoek ook een toertje door de labs. Hoe ziet het eruit? Hoe ruikt het? Hoe gaan de mensen met elkaar om? Hoe groot is de afstand tussen leiding en de werkvloer? Nieuwe apparatuur of een allegaartje van 19ooit tot nu? De sfeer proeven! De lab cultuur een beetje proberen te doorgronden. Het werk vindt aan de bench plaats en niet op de baas zijn bureau.
Al deze indrukken neem ik mee in de beoordeling of ik er vertrouwen in kan hebben dat ze mijn klus aan zullen kunnen. De nette en goed georganiseerde labs leveren inderdaad vaker een beter product af, houden zich beter aan afspraken en tijdslijnen. Maar net zo vaak zijn ze starder en anticiperen ze maar matig op afwijkende bevindingen: meer geschikt dus voor de grotere en strak omlijnde studies. Het omgekeerde zie je ook: creatief en zeer prettig samenwerken, maar ja dat eindrapport wil maar niet komen en je moet niet zeuren over een paar foutjes. Het grappige en prettige is dat een nationale cultuur ondergeschikt lijkt te zijn aan de wijze waarop een lab cultuur tot uiting komt in de samenwerking en het afgeleverde product.
Eerder gepubliceerd in Laboratorium Magazine nr. 2, 2007